De juiste ecoloog kent het gebied op zijn duimpje

Ecologisch onderzoek is een vak apart, dat wist u wel. Maar soms is specifieke kennis – van bepaalde soorten of een bepaald gebied – extra gewenst. Dat geldt zeker voor de intensieve SNL-monitoring. Een mooie klus om op te pakken met experts uit ons netwerk.

Spaanse ruiter en blauwe knoop: die verwacht je in het blauwgrasland van de Utrechtse venen. Toch is het goed dat iemand af en toe constateert dat ze er nog steeds staan, waar precies en met hoeveel.

Trends in kaart met monitoring

Monitoring is verplicht voor gebieden die SNL-subsidie krijgen. Tijdens een kartering worden vegetatietypen, indicatorsoorten en rode lijstsoorten in beeld gebracht. Dat moet aantonen of het SNL-beheertype ook daadwerkelijk in het gebied voorkomt en welke subsidie daar bij hoort. Natuurlijk laat monitoring ook zien hoe het met de soorten gaat. Omdat het onderzoek elke paar jaar herhaald wordt ontdek je trends in soorten en zie je of gebieden verdrogen, verzuren of vernatten.

In opdracht van Staatsbosbeheer voerden we deze zomer vegetatiekarteringen en onderzoek naar broedvogels en insecten uit. Dat deden we in verschillende SNL-gebieden in onder andere Utrecht en Overijssel, waarbij we graag gebruik maakten van de expertise van uit ons netwerk. In dit geval werkten we samen met Courbois Flora en Fauna Expert, Dactylis, Simons Botanisch Advies, de Vries Flora en Fauna en Alcedo Natuurprojecten.

Weten waar je kijken moet

Als kind kwam hij al in het Vechtdal, vertelt Evert Ruiter van Alcedo Natuurprojecten uit Zwolle. Hij kent het gebied op zijn duimpje. Dat komt van pas, want karteren is een intensieve klus: het hele gebied wordt in kaart gebracht met een maximale onnauwkeurigheid van 50×50 meter. Parate veldkennis is van belang om dat goed en snel te kunnen uitvoeren, legt Ruiter uit. Het gaat dan om ecologische kennis én gebiedskennis. “Sommige soorten kun je van tevoren uitsluiten; als een vlinder alleen in Zuid-Limburg voorkomt hoef je er in Twente niet naar op zoek. Van andere soorten helpt het als je weet waar je ze moet zoeken. Hoe ze het terrein gebruiken. Als je weet waar ze een jaar eerder gezien zijn.”

En zo ontdek je met monitoring dat de kommavlinder zich uitbreidt nadat een gebied uit agrarisch beheer is genomen. Of dat het heideblauwtje, dat steeds schaarser wordt, gelukkig nog steeds rondvliegt in Twente. En die mooi bijvangst – de in Nederland zeer zeldzame violette gordijnzwam – is ook het vermelden waard. Over intensief monitoren gesproken!